Ga terug naar Hoofdpagina
Borstkanker (mammacarcinoom)
definitie: maligne
(kwaadaardige) wildgroei van borstklierweefsel
Oorzaken:
De precieze oorzaak is nog niet bekend.
Een deel is erfelijk
(via het BRCA1 en BRCA2 gen). BRCA1 geeft ook verhoogd risico op ovarium-, eileider-, prostaat-, dikkedarmkanker. BRCA2 geeft een vergroot risico op ovarium-, prostaat- en pancreas kanker.
Het komt voor bij het
ovariumcarcinoomsyndroom en het Li-Fraumenisyndroom.
Carcinoma in situ die worden gevonden door bevolkingsonderzoek zijn:
ductale carcinoma in situ (DCIS, met microcarcificaties. 50% kans om
invasief te worden) en het lobulair carcinoma in situ (LCIS geen
microcarcificaties, vaak per toeval gevonden. 20% kans om invasief te
worden en is daarmee alleen een risicofactor voor mammacarcinoom)
Het mammacarcinoom wordt histologisch onderverdeeld in het invasieve
ductale carcinoom (90%) en het invasieve lobulaire carcinoom (10%.
Produceert tijdens de lactatie melk).
Metastasen kunnen al ontstaan bij een maligne tumor die 1-2mm groot is.
Hoe groter de tumor, hoe groter de kans op metastasen.
Risicofactoren:
Borstkanker in de familie (vooral als deze nog voor de
menopauze voorkomen), geen kinderen hebben (nullipara), eerste
bevalling op leeftijd bovend de 30, vroeg begonnen menstruatie, laat
ontstane menopauze, benigne tumoren in de borst, orale anticonceptie,
postmenopauzale hormoonsubstitutie, dik zijn, vet eten, alcohol drinken.
Risicofactoren voor mannen om borstkanker te krijgen zijn: het syndroom
van Klinefelter, dragers van erfelijke aanleg, en mannen met een
mutatie in androgeen receptoren (partiële androgeen receptor
ongevoeligheid).
Frequentie:
Het risico voor vrouwen om gedurende hun hele leven
borstkanker te krijgen is 10%. 0,45% zal dood gaan aan borstkanker. 2/3
van de vrouwen met borstkanker is ouder dan 60 jaar, minder dan 10% is
jonger dan 40. 3 per 100.000 zwangere vrouwen. Komt zeer zelden ook
voor bij mannen (1% van alle mammacarcinomen komt voor bij mannen).
Verschijnselen:
Zwelling in de borst of bij de oksel (bij 80-90%)
Zwelling heeft een onregelmatig oppervlak
Zwelling is moeilijk afgrensbaar van de omringende weefsels
Zwelling die vast zit aan de onderlaag of huid
Schilfering of eczeem van de tepel
Huid die lokaal het rilief heeft van een sinaasappelschil (peu 'd
orange huid)
Een zweer op de borst die niet geneest en groter wordt
Recent ontstane tepel of huidintrekking
Zwelling van klieren in de oksel
Niet snel genezende mastitis
Eenzijdige bruine of bloederige tepeluitvloed
Diagnostiek:
Bevolkingsonderzoek borstkanker (tussen 50ste en 75ste jaar,
om de 2 jaar) via mammografie (X-foto van de borst)
Mammografie en echografie minstens om de 12 maanden bij patienten
jonger dan 40 en met persisterende afwijking gevonden via het
bevolkingsonderzoek. Tripple-diagnostiek (door de chirurg, radioloog en
de patholoog) moet plaatsvinden.
Fijnnaaldbiopsie of excisiebiopsie
Stagering volgens het TNM (tumor, nodus, metastase) systeem.
Bij een tumor met een stadium hoger of gelijk aan T3,N2 wordt onderzoek
naar metastasen gedaan (skeletscintigrafie, echo onderzoek lever,
X-thorax)
Behandeling:
=DCIS wordt behandeld met:
-ablatio mammae (borst amputatie) met een okselstadierende ingreep
(okselklierdissectie of schildwachtklier procedure). Daarbij komt ook
nog radiotherapie op de hele thorax indien aan een van de volgende
eisen wordt voldaan: resectievlak is tumor positief, tumor groter dan
5cm, ingroei in de musculus pectoralis, pT3. Radiotherapie locaal
indien het stadium hoger is dan pN2 of de okseltop tumorpositief is.
-of eventueel een mammasparende (gedeeltelijke borstsparende) operatie
met een okselstadierende ingreep (okselklierdissectie of
schildwachtklier procedure), radiotherapie en mammografische follow-up.
Indien de wondranden bij mammasparende operatie kankercellen bevatten
geeft dat een groot risico op een recidief (terugkeren van de kanker).
Normaal gesproken zijn de overlevingskansen bij beide ingrepen even
groot.
=Mammacarcinomen met stadium I-II en N+ (lymfekliermetastasen) worden
naast de hierbovenbenoemnde methoden ook nog met chemotherapie (en
mogelijk ook door hormonale therapie zoals tamoxifen. Dit kan alleen
als de tumor ER+ of/en PgR+ is) behandeld. Bij tumoren die groter zijn
dan 3 cm wordt ook chemo en/of hormonale therapie gegeven.
=Mammacarcinomen met T(3 of 4), N, M0 of T(1,2,3 of 4), N2, M0, of peu
d'orange, ulceratie, huidsatalieten, inflammatoir carcinoom, ingroei in
de thoraxwand worden systemisch behandeld door neo-adjuvante
chemotherapie, radiotherapie en adjuvante hormonale therapie
=Bij gemetastaseerd mammacarcinoom: hormonale therapie als de tumor ER+
of/en PgR+ is. Bisfosfonaten en radiotherapie bij botmetastasen
Na behandeling follow-up: het eerste jaar om de 3 maanden, het tweede
jaar om het half jaar en het derde jaar om het jaar.
Extra informatie:
Bij een mammacarcinoom met een diameter van minder dan 2 cm
en geen uitzaaiingen is de 5-jaars overlevingskans 80-95%. Indien de
tumor groter wordt en uitzaait dalen de overlevingskansen snel.
Lymfekliermetastasen zitten meestal in de basale lymfeklieren in level
I. Daarna trekken ze naar boven. Bij 5% echter kunnen ze ook eerst in
de apicale lymfeklieren voorkomen. Ook parasternale
lymfekliermetastasering komt voor (wordt door slechte prognose gezien
als M1).
20% van de patienten met een tumor met een diameter van minder dan 2cm
heeft lymfekliermetastasen. Bij een tumor van 2-5cm is dat 40% en bij
een tumor van meer dan 5cm is dat 50%.
Hematogene metastasering treedt op naar de longen, lever, skelet,
hersenen, ovaria (eierstokken).
Terug naar hoofdpagina <<