Oorzaken: Vaak is er sprake van een gebrek aan liefde vanuit de moeder of beide ouders (soms ook seksuele-, psychische of fysieke mishandeling), waardoor de ouders worden ervaren als vreemden die niet vertrouwd kunnen worden en die slechte voornemens hebben met hun kind. Gevolg is dat ook andere mensen niet meer worden gezien als individuen.
Net voor agressief gedrag zijn er lage serotonine spiegels in de hersenen gevonden bij studies.
Frequentie: Komt voor bij 3 procent van de mannen en 1 procent van de vrouwen In gevangenissen kan zelfs 75% van de gevangenen deze stoornis hebben Komt ook vaker voor in verslavingsklinieken
Risicofactoren: Eerstegraads familieleden met een antisociale persoonlijkheids stoornis (5x hogere kans) Komt vaker voor bij slechte socio-economische omstandigheden en bij trekkende bevolkingsgroepen Als baby zijn mensen met een antisociale persoonlijkheids stoornis moeilijk troostbaar, huilen ze veel en hebben een temperament (wat kan bijdragen aan verwaarlozing door de ouders)
Verschijnselen: Ontstaat voor het 15de levensjaar. De kern eigenschappen zijn: crimineel, agressief, impulsief en onverantwoordelijk. De onderstaande symptomen hoeven niet allemaal voor te komen. -Geen behoefte om de waarheid te spreken. Dit uit zich onder andere in liegen, het aannemen van een valse naam. -Onvermogen om werk langdurig door te zetten. Vaak wordt er geld bijverdiend of wordt de werkgever opgelicht. -Onvermogen de sociaal aanvaarde normen te hanteren, met een patroon van onder andere: stelen, oplichten, andere mensen overhalen mee te doen met illegale activiteiten, geweld, weglopen, middelen misbruik, misbruik van andere mensen, en andere illegale praktijken -Zijn niet in staat een langdurige, volledig monogame relatie te handhaven -Prikkelbaar en agressief, waardoor vaak deelname aan gevechten of aanvallen -Herhaaldelijk onvermogen financiele afspraken na te komen. De gedachte bestaat dat als het geld uitgegeven is er op de een of andere manier wel nieuw geld binnen zal stromen. -Onvermogen vooruit te plannen en impulsief gedrag (zich uitend in het zich begeven van de ene naar de andere plek zonder plannen werk te zoeken of telkens een ander doel nastreven) -Zijn roekeloos betreffende eigen en andermans veiligheid. Dit uit zich onder andere in rijden onder invloed, te snel rijden, zoeken sensatie op. -Proberen te concurreren met andere mensen, kunnen andere mensen niet vertrouwen en kunnen niet tegen hun verlies -Gaan snel in discussie en indien er niet volgens hun wil wordt gehandeld worden ze snel agressief -Het zijn geen goede ouders (kunnen geen verantwoordelijkheid op zich nemen). -Zijn emotioneel oppervlakkig. Vinden warmte en intimiteit zwakheid. -Zien zichzelf als speciaal en hoogstaand, maar weten ook dat ze andere mensen nodig hebben die in staat zijn hen te schaden -Geen schuldbesef (rationaliseren: denken dat hun gedachten en gevoelens altijd de juiste zijn, denken dat hun daden altijd de juiste zijn, denken dat ze juist handelen omdat ze daar een goed gevoel bij hebben, dat wat anderen denken is niet belangrijk voor hun handelen, ongewenste gevolgen van hun handelen kunnen niet voorkomen of zullen niet negatief uitpakken). -Tonen geen emoties als andere mensen pijn hebben of lijden -Externaliseren en zijn niet flexibel in hun denken -Manipulatief (ook richting onderzoeker) -Tonen geen angst of depressive gevoelens omdat dit als zwakheid wordt ervaren -Onvermogen te leren vanuit ervaringen -Doen geregeld suïcidale uitingen -Fixatie op lichamelijke problemen komt regelmatig voor -De meeste verschijnselen treden op in de late jong-volwassenheid
Complicaties: Depressie Angst aanvallen Waan stoornis Somatisatie Alcohol of andere middelen misbruik/afhankelijkheid
Diagnostiek: Wees bij onderzoek alert op het misleidende beeld dat patienten met een anti-sociale persoonlijkheids stoornis kunnen doen overkomen. Door onderzoek te doen via zowel een vrouwelijke als een mannelijke onderzoeker, is het beter mogelijk de kern van het persoonlijkheids probleem te vatten.
Grondig neurologisch onderzoek is nodig. Vaak zijn er minimale neurologische afwijkingen die kunnen wijzen op hersenbeschadiging in de vroege jeugd.
Psychologische tests die gebruikt kunnen worden zijn: MMPI-2, MCMI-IIm Roschach Psychodiagnostic test, TAT
Criteria volgens DSM-IV: A. Een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor en schending van de rechten van anderen vanaf het vijftiende jaaraanwezig, zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende punten: 1. Niet in staat zich aan de wet te houden, zoals blijkt uit regelmatig bestraft worden voor verkeerd gedrag en arrestaties 2. Oneerlijkheid (herhaaldelijk liegen, het gebruik van valse namen of anderen bedriegen voor eigen voordeel of plezier) 3. Impulsiviteit of onvermogen vooruit te plannen 4. Prikkelbaarheid en agressiviteit (herhaaldelijke vechtpartijen of geweldpleging) 5. Roekeloos omgaan met eigen veiligheid of die van anderen 6. Constante onverantwoordelijkheid (niet in staat werk te behouden of financiele verplichtingen na te komen) 7. Ontbreken van spijt gevoelens (ongevoeligheid of rationalisatie na confrontatie met het kwetsen, mishandelen of bestelen van anderen) B. Leeftijd minimaal 18 jaar C. Er zijn aanwijzingen voor een gedragsstoornis beginnend voor het vijftiende jaar D. Het antisociale gedrag komt niet alleen voor binnen het beloop van schizofrenie of een manische episode. De activiteiten vallen niet binnen het kader van zwakzinnigheid of zwak begaafdheid
Behandeling: Binnen behandeling is het stellen van grenzen belangrijk. Daarnaast dient de patient geconfronteerd te worden met normaal intermenselijk contact. De behandelaar moet sterk in zijn schoenen staan en immuun proberen te zijn voor de manipulatie door de patient. Er moet binnen de grenzen meegegaan worden met de wil van de patient om een therapeutische band op te kunnen bouwen. Confrontatie met antisociaal gedrag moet gericht zijn op het heden en niet op de gebeurtenissen vanuit het verleden. Patienten geven meestal bij onderzoekers van de tegenovergestelde sekse een kleurrijk en verleidelijk beeld van hun misdragingen, terwijl onderzoekers van dezelfde sekse hen als manipulatief en veeleisend ervaren. Psychotherapie is weinig succesvol. Betere resultaten zijn te bereiken bij patienten die minder duidelijke verschijnselen van de persoonlijkheids stoornis vertonen. Ook patienten die meer narcistische trekken hebben of depressief zijn, zijn beter behandelbaar. Trainen van sociale vaardigheden en schema therapie (Younf 1999) lijken redelijk effectieve methoden te zijn. Ook zelfhulp groepen, psychoeducatie groepen en psychotherapie groepen met andere patienten met een antisociale persoonlijkheids stoornis in combinatie met individuele therapie geeft betere resultaten dan alleen individuele therapie. Bij jong volwassenen is familie therapie soms redelijk succesvol. Probleem is wel dat dit meestal wordt geweigerd door de patient. Doel van de familie therapie is de familieleden te helpen de patient te begrenzen.
Medicatie (behandeling begint meestal met psychotherapie, waarna medicamenteus behandeld kan worden): bij impulsiviteit en agressiviteit (fluoxetine, sertraline. Dosering als bij depressie. Bij partiele respons kan een antipsychoticum of valproaat of carbamazepine gegeven worden), angst, woede uitbarstingen (betablokker zoals propranolol), ADHD (ritalin, concerta) en depressie. Patienten met een positieve familie anamnese met bipolaire stoornis, terugkerende depressie of agressie kunnen goed reageren op lithium. Cave! middelen misbruik.
Controle:
Extra informatie: DD -Narcistische persoonlijkheidsstoornis -Paranoïde persoonlijkheidsstoornis -Illegale activiteiten (bij de antisociale persoonlijkheids stoornis betreft het problemen binnen verschillende vlakken van het functioneren) -Middelen misbruik (indien het middelen misbruik ontstond na het ontstaan van anti sociaal gedrag, kunnen beide diagnosen voorkomen. Indien middelen misbruik of afhankelijkheid ontstond voordat het antisociale gedrag ontstond, dan wordt de diagnose antisociale persoonlijkheids stoornis moeilijker om te stellen) -Correctie is nodig betreffende de socio-economische status, culturele achtergronden, en sekse
Bronnen: L. Sprerry: "Handbook of Diagnosis and Treatment of DSM-IV-TR Personality disorders", second edition, 2003, p37-57. B. J. Saddock: "Synopsis of psychiatry", tenth edition, 2007, p 798-799 DSM-IV